Advertentie

EGFR-mutaties in ctDNA als selectiecriterium voor behandeling met gefitinib?

Chinese onderzoekers concluderen in The Lancet Respiratory Medicine dat detectie van EGFR-mutaties in circulerend tumor-DNA (ctDNA) een effectieve methode is om patiënten met een adenocarcinoom van de long te identificeren die waarschijnlijk baat zullen hebben bij eerstelijnsbehandeling met gefitinib.

Detectie van EGFR-mutaties in tumorweefsel is de gouden standaard om vast te stellen of een patiënt baat zal hebben bij behandeling met een EGFR-tyrosinekinaseremmer. Wanneer er weinig weefsel beschikbaar is, kan het analyseren van ctDNA een alternatief zijn. Deze methode moet echter nog gevalideerd worden in klinische trials. Zhijie Wang en collega’s evalueerden in deze prospectieve fase II-trial (NCT02282267) of de detectie van EGFR-mutaties in ctDNA een selectiecriterium kan zijn voor patiënten met een adenocarcinoom van de long die gefitinib krijgen als eerstelijnsbehandeling. Het primaire eindpunt was het percentage patiënten met een objectieve respons. Secundaire eindpunten waren de mediane progressievrije overleving (PFS) en de veiligheid. Bloedmonsters afgenomen op baseline werden geanalyseerd middels next-generation sequencing (NGS) van 168 genen.

EGFR-mutaties in ctDNA
In totaal werden 188 patiënten met een stadium IV gemetastaseerd adenocarcinoom en EGFR-mutaties in ctDNA geïncludeerd en behandeld met 250 mg gefitinib 1 dd als eerstelijnstherapie. In totaal konden 183 patiënten bij wie de tumor eenmaal of vaker post-baseline werd beoordeeld, worden geïncludeerd in de primaire effectiviteitsanalyse. De mediane follow-upperiode was 14,5 maanden (IQR 12,2-16,5). Op het moment van data-cutoff (31 januari 2017) was bij 152 patiënten sprake van ziekteprogressie of overlijden. Het percentage patiënten dat een objectieve respons bereikte was 72,1 (95%-BI 65,0-78,5) en de mediane PFS was 9,5 maanden (95%-BI 9,07-11,04). Van de 167 patiënten met beschikbare bloedmonsters werden bij 147 (88%) op week 8 geen EGFR-mutaties in ctDNA meer gedetecteerd en de mediane PFS was langer bij deze patiënten dan bij de 20 patiënten bij wie op week 8 nog wel EGFR-mutaties werden aangetroffen (11,0 maanden (95%-BI 9,43-12,85) versus 2,1 maanden (1,81-3,65); HR 0,14; 95%-BI 0,08-0,23; p < 0,0001).

In de baseline NGS-data (n = 179) werden drie subgroepen geïdentificeerd: patiënten met alleen EGFR-mutaties (n = 58), patiënten met mutaties in EGFR en tumorsuppressorgenen (n = 97) en patiënten met mutaties in EGFR en oncogenen (n = 24). De corresponderende mediane PFS in deze subgroepen was respectievelijk 13,2 (95%-BI 11,5-15,0), 9,3 (7,6-11,0) en 4,7 maanden (1,9-9,3; EGFR alleen versus EGFR en tumorsuppressorgenen HR 1,78; 95%-BI 1,23-2,58; p = 0,002; EGFR alleen versus EGFR en oncogenen 2,66; 1,58-4,49; p = 0,0003).


  • Bronverwijzing
    1. Wang Z, Cheng Y, An T, et al. Detection of EGFR mutations in plasma circulating tumour DNA as a selection criterion for first-line gefitinib treatment in patients with advanced lung adenocarcinoma (BENEFIT): a phase 2, single-arm, multicentre clinical trial. Lancet Respir Med. 2018;6:681-90.
Advertentie

U heeft nog enkele gratis artikelen binnen oncologie. Maak uw account aan om ongelimiteerd te lezen.