Cognitieve gedragstherapie bij myotonische dystrofie

Cognitieve gedragstherapie resulteert na 10 maanden in een beter vermogen tot activiteit en sociale participatie bij patiënten met myotonische dystrofie type 1 (MD1). Omdat er nauwelijks symptomatische behandelingen bestaan, kan cognitieve gedragstherapie bij MD1-patiënten met ernstige vermoeidheid worden overwogen.

Dit abstract was met recht ‘late-breaking’, aangezien het letterlijk minuten na publicatie in The Lancet Neurology werd gepresenteerd tijdens het EAN-congres door prof. B. Schoser (München, Duitsland). Aan de studie hebben vier gespecialiseerde Europese centra meegewerkt, waaronder Nijmegen. Schoser besteedde veel aandacht aan de opzet van de gerandomiseerde trial, die veel overeenkomsten vertoonde met een geneesmiddeltrial. In feite werden er twee dingen getest: de opzet van de trial en de experimentele interventie, namelijk cognitieve gedragstherapie. Voor beide waren de uitkomsten positief.

De deelnemers hadden MD1 en ernstige vermoeidheidsklachten. Ze werden gerandomiseerd naar cognitieve gedragstherapie plus standaard zorg en met bewegingstherapie als optie, of alleen standaard zorg. De cognitieve gedragstherapie werd in 10-14 sessies gegeven over een periode van 10 maanden. Hij bestond uit het stimuleren van eigen initiatief, fysiek actiever worden, sociale interactie verbeteren, het slaap-waakritme reguleren, omgaan met pijn en opvattingen over vermoeidheid en MD1 bespreken. De primaire uitkomst was de verandering na 10 maanden in de scores op de DM1-Activ-c-schaal (range 0-100).

Er werden 255 deelnemers 1:1 gerandomiseerd. In de experimentele groep kregen 33 patiënten ook bewegingstherapie. De DM1-Activ-c-score steeg in de experimentele groep van 61,22 (17,35) punten naar 63,92 (17,41). In de controlegroep daalde deze score van 63,00 (17,35) naar 60,79 (18,49), met een gemiddeld verschil tussen groepen van 3,27 punten (95% BI 0,93 – 5,62, p = 0,007). “Een uitkomst die dit ondersteunt, was de behaalde winst bij de 6-minuten looptest van 26,5 meter, een verschil van 8 procent”, voegde Schoser toe.

Er deden zich in de experimentele en controlegroep respectievelijk 244 en 155 bijwerkingen voor bij 65 (51%) en 63 (50%) patiënten. De belangrijkste was een valincident: respectievelijk 155 en 71 gebeurtenissen bij 40 (31%) en 33 (26%) patiënten. Schoser: “Ondanks verschillen per land in zorgsysteem, zijn met deze interventie gunstige resultaten te behalen.”

 


  • Bronverwijzing
    1. Okkersen K, Jimenez-Moreno C, Wenninger S, et al. Cognitive behavioural therapy with optional graded exercise therapy in patients with severe fatigue with myotonic dystrophy type 1: a multicentre, single-blind, randomised trial. Lancet Neurol. 2018, June 19. DOI: https://doi.org/10.1016/S1474-4422(18)30203-5.

U heeft nog enkele gratis artikelen binnen neurologie. Maak uw account aan om ongelimiteerd te lezen.