Stap uit de kliniek

Na acht jaar gewerkt te hebben als longarts in het Erasmus MC is dr. B. (Bernt) van den Blink vorig jaar overgestapt naar de farma-industrie. Hij heeft geen seconde spijt van deze carrièreswitch en benoemt zijn beweegredenen om over te stappen, de werkwijze in de industrie en de nieuwste ontwikkelingen.

Als longarts waren longtransplantatie en interstitiële longziekten (ILD) de aandachtsgebieden van Van den Blink. Tegen een van de meest bekende en beruchte vormen van ILD,
idiopathische pulmonale fibrose (IPF) heeft Promedior, het Amerikaanse bedrijf waar Van den Blink sinds een jaar medisch directeur is, een middel in ontwikkeling (zie kader).

Positiever dan gedacht
Door zijn samenwerking met Promedior in de afgelopen acht jaar heeft Van den Blink een heel ander perspectief op de farma-industrie en biotechbedrijven gekregen. “De mensen in de farma zijn allemaal heel gedreven, hebben het hart op de goede plaats en willen een bijdrage leveren aan het oplossen van zeldzame ziekten”, vertelt hij.
Van den Blink bemerkt dat tijdens de opleiding tot longarts het beeld van de farma-industrie wat vertekend raakt, omdat specialisten in spe met name contact hebben met artsenbezoekers. “Niets ten nadele daarvan, maar dat is een heel beperkte afspiegeling van de farma-industrie. De industrie heeft vele andere afdelingen, zoals het ontwikkelen van nieuwe geneesmiddelen.”

Missing link
Juist wat betreft de geneesmiddelenontwikkeling bemerkt Van den Blink dat er binnen de academie beperkte mogelijkheden zijn. Tijdens zijn jaren in het Erasmus MC deed hij weliswaar veel basaal en translationeel onderzoek – onder andere samen met de groep van dr. Mirjam Kool – en klinisch onderzoek – onder andere in samenwerking met Promedior – maar kreeg hij steeds sterker het gevoel dat er een missing link was. “Wat wij in het lab vonden, was lastig te vertalen in tastbare verbeteringen in de zorg voor patiënten met een zeldzame ziekte, zoals IPF.”
Van den Blink wilde preklinisch bevindingen omzetten in klinische studies. “Biotechbedrijven zijn heel gefocust en geschikt om een bepaalde bevinding te vertalen in studies en uiteindelijk ook in een verbeterde zorg voor patiënten.”

Grootschalig onderzoek
Een andere reden voor Van den Blink om de overstap naar de farma-industrie te maken, is dat in het bedrijfsleven op een veel grotere schaal onderzoek kan plaatsvinden dan binnen de academie. “Daarbij heb je toegang tot de allerbeste onderzoekers die je kunnen helpen om de beste resultaten te behalen”, voegt hij toe. “Je hebt heel veel tijd en menskracht nodig om een grootschalig klinisch onderzoek voor elkaar te krijgen. Daarbij moet je zorgen voor de best mogelijke kwaliteit. Je kunt niet genoegen nemen met minder. De beschikbare platforms, om te zorgen voor een goede kwaliteit, zijn binnen de farma ongekend. Die zijn bijna niet te realiseren in een ziekenhuissetting.”

Doelgericht en samenwerken
Een van de zaken die Van den Blink in het afgelopen jaar zijn opgevallen aan de industrie, is dat daar heel doelgericht wordt gewerkt. “Om dat doel te bereiken, moeten alle neuzen dezelfde kant op staan. In de academie ligt dat soms wat anders. Daar is het ook een kwestie van serendipiteit. De een vindt wat anders interessant dan iemand anders.”
Medewerkers de ruimte geven om te doen wat ze belangrijk vinden en waarvan ze verwachten dat er nieuwe ontdekkingen liggen, is tegelijkertijd de kracht van een academisch ziekenhuis. Dat heeft echter andere doelen, zoals het ontrafelen van nieuwe paden binnen de pathogenese van ziekten, en niet direct geneesmiddelenontwikkeling. Biotechbedrijven en farmaceutische industrie hebben een veel scherper gedefinieerd doel voor ogen, vindt Van den Blink. “De hele organisatie is afhankelijk van dat iedereen goed presteert.”
Overigens bemerkt hij niet alleen in het bedrijfsleven, maar ook in ziekenhuizen een enorme teamspirit. “Ik heb nergens zo goed geleerd om multidisciplinair samen te werken als in transplantatie- of ILD-teams. Bij die ziekten kun je alleen goed voor de patiënten zorgen, als je dat met z’n allen doet.”

Ontzettend moeilijk te behandelen
De focusgebieden van Promedior zijn IPF en andere fibrotische aandoeningen. Op het gebied van IPF zitten er veel nieuwe middelen in de pijplijn, maar vooralsnog zijn alleen pirfenidon en nintedanib daar met positieve uitkomsten en een registratie uitgerold. “De industrie in bredere zin voelt zich gesteund door deze twee middelen”, laat Van den Blink weten. “Het is blijkbaar mogelijk om voor deze ontzettend moeilijk te behandelen aandoening effectieve middelen te ontwikkelen en te laten registreren. Maar er is geen twijfel dat de huidige behandelmogelijkheden te kort schieten. Er blijft dus een duidelijke noodzaak om verdere middelen te ontwikkelen.”

Spectaculaire ontwikkelingen
Een onderzoeksveld, waar de laatste tijd veel ontwikkeling in is, is de immuno-oncologie. “Het is spectaculair wat er op het gebied van de immunotherapie gebeurt”, vindt Van den Blink. “Je ziet dat een aantal grote bedrijven daar hun pijlen op richt. Bedrijven proberen hun R&D-pijplijn divers te houden, dus ze gaan zich niet volledig op immuno-oncologie richten. Fibrose is een andere ziekte waar gelukkig veel aandacht voor en ontwikkeling in is.”

Overstap
Aan collega-longartsen met onderzoeksinteresse raadt Van den Blink aan om tijdelijk de overstap naar het bedrijfsleven te overwegen, bijvoorbeeld tijdens een sabbatical. “Het terugbrengen van deze kennis naar de onderzoeksetting in ziekenhuizen kan heel nuttig en leuk zijn.” Sowieso heeft Van den Blink geen seconde spijt van zijn overstap. “Het is een fantastische ervaring. Daarnaast ben ik nog steeds verbonden aan het Erasmus MC. Ik vind het ontzettend leuk om betrokken te blijven bij het academische onderzoek.”

Nieuwe fibroseremmer in ontwikkeling
De fibroseremmer die Promedior in ontwikkeling heeft, is een recombinant pentraxine-2, ook wel serum amyloïd-P genoemd. Die lichaamseigen stof is normaal gesproken betrokken bij wondgenezing. In meerdere preklinische modellen is gevonden dat toediening van pentraxine-2 de fibrosevorming voorkomt of terugdringt.
Van den Blink is sinds 2009 betrokken bij Promedior, de eerste jaren als academisch onderzoeker. In de beginperiode is door het Centre for Human Drug Research (CHDR) in Leiden in samenwerking met het Erasmus MC bij gezonde vrijwilligers een eerste klinische onderzoek naar pentraxine-2 gedaan. Daarop volgde een grotere fase Ib-studie met IPF-patiënten, waarvan de uitkomsten vorig jaar in The European Respiratory Journal zijn gepubliceerd.1
Op basis daarvan is een fase II-studie ontwikkeld, die momenteel loopt in achttien centra wereldwijd, ook in het Erasmus MC, en medio dit jaar afgerond zal zijn.2 In die studie heeft Van den Blink geen academische onderzoekersrol, maar is hij vanuit het bedrijf eindverantwoordelijk dat de studie goed loopt wat betreft onder andere veiligheid en dataverzameling en -analyse.
Naar aanleiding van de fase II-studie moet de volgende ontwikkelingsstap worden gezet. “Als de uitkomsten positief zijn, volgt er een fase III-studie”, geeft hij aan. “Om dat in goede banen te leiden, heb je een groot bedrijf nodig.”


  • Bronverwijzing
    1. Blink B van den, Dillingh MR, Ginns LC, et al. Recombinant human pentraxin-2 therapy in patients with idiopathic pulmonary fibrosis: safety, pharmacokinetics and exploratory efficacy. Eur Respir J. 2016;47:889-97.
    2. A trial to evaluate the efficacy of PRM-151 in subjects with idiopathic pulmonary fibrosis (IPF). ClinicalTrials.gov, NCT02550873. Via: https://clinicaltrials.gov/ct2/show/NCT02550873.

Aandachtsgebied:

ILD

Onderwerp:

immuuntherapie IPF

U heeft nog enkele gratis artikelen binnen longziekten. Maak uw account aan om ongelimiteerd te lezen.