IAS conference on HIV science (IAS 2019)

De 10e editie van het jaarlijkse IAS-congres vond van 21 tot 24 juli 2019 plaats in Mexico-stad. Hieronder vindt u een selectie van het belangrijkste congresnieuws.

Betrouwbare point-of-care urinetest om therapietrouw te meten

Door een adequate therapietrouw kunnen seroconversies voorkomen worden en de uitkomsten van PrEP en ART verbeterd. Momenteel is de therapietrouw suboptimaal. Voor het eerst is een point-of-care laterale flow immunoassay (POC LFIA) voor de analyse van tenofovir (TFV) in de urine ontwikkeld. Bij evaluatie in urinemonsters kwam een hoge sensitiviteit en specificiteit (beide 100%) naar voren.

De beschikbare methoden voor het beoordelen van de therapietrouw zijn onvoldoende of te duur voor wijdverbreid gebruik. UrSure Inc. uit Boston (Verenigde Staten) heeft een antilichaam ontwikkeld dat specifiek is voor TFV, een metaboliet van tenofovir disoproxil fumarate (TDF) en alafenamide (TAF), wat prodrugs zijn van de meeste ART en alle PrEP-regimes. Met behulp POC LFIA is in 160 urinemonsters geanalyseerd of de TFV-concentraties boven of onder de grenswaarde van 650 ng/ml lag. Deze uitkomsten zijn vergeleken met die van onderzoek met ‘liquid chromatography–tandem mass spectrometry’ (LC–MS/MS). Zowel de sensitiviteit als de specificiteit van de POC LFIA waren in vergelijking met de LC-MS/MS 100%. Om de integriteit van de LFIA te waarborgen, zijn in verschillende settings de opslag- en temperatuurstabiliteit beoordeeld. De prestaties van deze test veranderden in geval van opslag bij kamertemperatuur, 45°C en 55°C gedurende maximaal 21 dagen.

Met deze nieuwe POC LFIA is op een goedkope manier een real-time monitoring van de therapietrouw op TFV-gebaseerde PrEP en ART mogelijk. Daardoor kunnen interventies voor het optimaliseren van de therapietrouw verbeterd worden. (# LBPEB11)

Proof-of-concept bewijs voor first-in-class capsideremmer

GS-6207 is een nieuwe, langwerkende remmer van de capsidefunctie van hiv-1. Voorlopige gegevens tonen het eerste proof-of-concept bewijs voor in vivo antivirale activiteit van capside-remming. Na een enkele s.c. gift trad een krachtige antivirale activiteit op bij alle deelnemende patiënten die GS-6207 kregen op 50, 150 of 450 mg tot dag 10. GS-6207 werd over het algemeen goed verdragen. In een eerder onderzoek bij hiv-negatieve vrijwilligers werd een enkele dosis subcutaan (s.c.) GS-6207 goed verdragen. In een lopende fase Ib-studie kregen hiv-patiënten die in het verleden nog niet waren behandeld met een capside- of integraseremmer of ART willekeurig een enkele s.c. gift GS-6207 in een dosering van 20, 50, 150, 450 of 750 mg of placebo.

Tijdens het IAS-congres zijn de gegevens gepresenteerd over de werkzaamheid tot dag 10 en geblindeerde veiligheid tot ≥ dag 16 in de cohorten die GS-6207 in een dosering van 50, 150 en 450 mg kregen. Op dag 10 was in alle actief behandelde groepen de plasma hiv-1 RNA-spiegel significant lager dan in de placebogroep (p < 0,0001). De gemiddelde maximale afname van de hiv-1 RNA-spiegel in iedere groep varieerde van 1,76 tot 2,20 log10 kopieën per ml. Er traden geen ernstige bijwerkingen, bijwerkingen die tot stopzetting van de studiemedicatie leidden, bijwerkingen van klasse 3 of 4 of klinisch relevante laboratoriumafwijkingen van graad 3 of 4 op. Milde of matige reacties op de injectieplaats traden het vaakst op (63%).

Deze resultaten ondersteunen een verdere evaluatie van GS-6207 als een langwerkend antiretroviraal middel voor de behandeling van hiv-patiënten. (# LBPEB13)

Risico op soa bij vrouwen die anticonceptiva gebruiken

Vrouwen en meisjes die anticonceptie nodig hebben, kunnen een soa oplopen. Resultaten van de Evidence for Contraceptive Options en HIV Outcomes (ECHO) wijzen erop dat gebruikers van een injecteerbaar depot medroxyprogesteronacetaat (DMPA-IM) mogelijk een lager risico hebben op soa’s: op Neisseria gonorrhoeae (NG) in vergelijking met gebruikers van een koperhoudend intra-uterien device (IUD) en op Chlamydia trachomatis (CT) in vergelijking met gebruikers van een levonorgestrel (LNG)-bevattend implantaat.

Vrouwen van 16-35 jaar kregen willekeurig een DMPA-IM, een koperhoudend IUD of een LNG-bevattend implantaat. Ze werden tot 18 maanden gevolgd. Nucleïnezuuramplificatietesten voor NG en CT werden uitgevoerd bij aanvang, tijdens tussentijdse bezoeken (indien nodig) en tijdens het laatste polibezoek. De behandeling werd gegeven op basis van tekenen en laboratoriumuitslagen. Bij aanvang was de prevalentie van NG 4,7% en van CT 18,2%. De prevalentie was vergelijkbaar tussen de gerandomiseerde groepen en hoger bij vrouwen van ≤ 24 jaar dan bij degenen van > 24 jaar. Na een gemiddelde follow-upperiode van 15,7 maanden gebruikte 81,3% hun toegewezen methode en kwam naar het laatste polibezoek, wat vergelijkbaar was in gerandomiseerde groepen. Ondanks syndromale behandeling was de soa-prevalentie bij het laatste polibezoek nog steeds hoog: NG 4,8% en CT 15,4%. De resultaten van de intention-to-treat (ITT) en best haalbaar gebruik (BAU)-analyses waren vergelijkbaar.

Er moet nader onderzoek plaatsvinden naar de daadwerkelijke toe- en afname van de individuele risicofactoren en naar de voordelen van de anticonceptiemethoden. (# LBPEB16)

Opkomst van klonale ‘H. influenzae’ bij hiv-positieve MSM

Invasieve niet-typeerbare Haemophilus influenzae (iNTHi) gaat meestal gepaard met bacteriële pneumonie. In Atlanta was er in de jaren 2017-2018 een duidelijke toename van iNTHi bij hiv-positieve mannen die seks hebben met mannen (MSM). In een populatie-gebaseerd surveillance-onderzoek zijn de epidemiologische ontwikkelingen tussen 2008 en 2018 bij hiv-positieve en vermoedelijke hiv-negatieve volwassenen van 18-55 jaar vergeleken.

52 van de 168 iNTHi-gevallen traden op bij personen die leven met hiv (PLWH). Daarvan waren er 24 gevallen in 2008-2016 en 28 gevallen in 2017-2018 (p < 0,001). In vergelijking met hiv-negatieve volwassenen die in de periode 2008-2018 een iNTHi ontwikkelden, waren PLWH met iNTHi in 2017-2018 vaker man (93 vs. 48%) en zwart (100 vs. 52%) en hadden septische artritis (39 vs. < 1%; p < 0,001 voor alle vergelijkingen) en minder kans op pneumonie (21 vs. 39%; p = 0,09).

NTHi is genetisch divers; clusters van infectie komen niet vaak voor. In deze studie toonden de meeste NTHi-isolaten (120 van de 162) heterogene PFGE-patronen. Desalniettemin werden 2 verschillende klonale groepen geïdentificeerd: C1 (n = 21) en C2 (n = 21). Bij PLWH trad in 2017-2018 significant vaker C1 of C2 iNTHi (93%) op, zowel in vergelijking met PLWH in 2008-2016 (43%; p < 0,001) als in vergelijking met hiv-negatieve volwassenen in 2008-2018 (5%; p < 0,001). Deze uitkomsten kunnen erop wijzen dat NTHi zich binnen sociale netwerken verspreidt, mogelijke via seksuele overdracht. (# LBPEB19)

Hiv-geïnfecteerde MSM zijn bereid om virale suppressie te krijgen

Mannen die seks hebben met mannen (MSM) en leven met hiv maar momenteel geen behandeling krijgen, zijn bereid om opnieuw een behandeling te starten. Bij bijna de helft was na een jaar sprake van een aanhoudende virale suppressie. Een verbeterde casemanagement (CM)-interventie resulteerde niet in een betere virale suppressie dan de standaardzorg (SOC). Bij de helft van de mannen was na een jaar geen sprake van virale suppressie. Dat is gevonden in de HPTN 078-studie uit de Verenigde Staten (VS). Van de 1.305 gescreende MSM die gerekruteerd waren in 4 Amerikaanse steden (Birmingham, Atlanta, Baltimore en Boston), leefden 154 personen met hiv en kregen geen virale suppressie.

De CM-interventie omvatte drie onderdelen: toegang tot een CM en doorverwijsdiensten, counseling met behulp van ‘motivational interviewing’ en geautomatiseerde naleving en motiverende berichten. Van cruciaal belang was dat de deelnemers zelf konden beslissen over de intensiteit van de interventie door de frequentie en inhoud van de CM-interacties en geautomatiseerde berichten te kiezen. Van het ingeschreven cohort was 84% zwart en de gemiddelde leeftijd was 39 jaar. De meesten waren opgeleid (90% ≥ middelbareschooldiploma), maar vaak (67%) werkeloos en hadden een inkomen van < 20.000 dollar (64%). 81% had een ziektekostenverzekering. De meerderheid (86%) had naar eigen zeggen in het verleden ART gekregen.

Bij aanvang was de mediane virale load 19.459 kopieën/ml. In maand 12 werd bij 48% virale suppressie bereikt, waarbij er geen verschil tussen de CM- en SOC-groepen bestond (odds ratio 0,615; p = 0,1526). (# MOAX0101LB)

Progressieve gewichtstoename bij dolutegravir-bevattende regimes

De eerstelijnsbehandeling met dolutegravir (DTG) gaat gepaard met een stijging van het lichaamsgewicht en het abdominale vet en met het ontstaan van obesitas. Deze stijgingen zijn hoger indien DTG wordt gecombineerd met tenofovir alafenamide (TAF) en emtricitabine (FTC), waarbij het lichaamsgewicht steeds verder toeneemt. Dat is naar voren gekomen uit een gecombineerde analyse van de NAMSAL- en ADVANCE-studies.

In eerdere klinische onderzoeken en cohortstudies is DTG in verband gebracht met een toegenomen lichaamsgewicht en het ontstaan van obesitas, vooral bij zwarte mensen en vrouwen. Het gebruik van tenofovir disoproxil fumaraat (TDF) gaat gepaard met een lager lichaamsgewicht in vergelijking met TAF, abacavir of nucleoside-reverse-transcriptaseremmers.

In de 96 weken durende NAMSAL-studie kregen 613 niet eerder behandelde patiënten uit Kameroen willekeurig TDF/3TC/DTG of TDF/3TC/EFV. In de ADVANCE-studie die eenzelfde studieduur en patiëntenpopulatie had, kregen 1.053 patiënten uit Zuid-Afrika willeurig TAF/FTC/DTG, TDF/FTC/DTG of TDF/FTC/EFV.

In de NAMSAL-studie steeg het gemiddelde gewicht met 7,3% voor TDF/3TC/DTG en met 5,3% voor TDF/3TC/EFV (p < 0,001). Aan de behandeling gerelateerde obesitas (BMI > 30 kg/m2) ontstond bij respectievelijk 12 en 5% (p = 0004), waarbij de BMI steeg met 1,7 en 1,2 kg/m2.

In de ADVANCE-studie waren er progressieve, lineaire stijgingen van het lichaamsgewicht tot week 96 voor vrouwen die werden behandeld met TAF/FTC/DTG en TDF/FTC/DTG. Bij mannen steeg het gemiddelde lichaamsgewicht in de DTG-groepen tot week 48 en stabiliseerde vervolgens tot week 96. Daarnaast nam de hoeveelheid abdominaal vet aanzienlijk toe in de TAF/FTC/DTG-groep. (# MOAX0102LB)

Switchen naar combinatiepreparaat is even goed als voortzetten van TAF-gebaseerd regime 

Na een behandelduur van 24 weken was het switchen naar een vaste dosiscombinatie (FDC) van dolutegravir (DTG) plus lamivudine (3TC) niet inferieur aan het voortzetten van een op tenofovir alafenamide (TAF) gebaseerd 3 medicijnenregime (3DR) voor het handhaven van virologische suppressie. Dat is gevonden in een tussentijdse analyse van de gerandomiseerde, open label, multicenter, niet-inferioriteit fase III TANGO-studie bij de behandeling van hiv-1-geïnfecteerde volwassenen die in het verleden ART hadden gekregen.

Het 2 medicijnenregime (2DR) van DTG plus 3TC is niet inferieur aan het 3 medicijnenregime van DTG, tenofovir disoproxil fumarate (TDF) en emtricitabine (FTC) bij de behandeling van hiv-1-geïnfecteerde ART-naïeve volwassenen. In enkele kleinere studies bleek het switchen naar DTG plus 3TC werkzaam te zijn en goed getolereerd te worden bij volwassenen die onder 3DR virale suppressie hadden. De 741 deelnemende patiënten hadden onder TBR gedurende > 6 maanden een hiv-1 RNA-titer van < 50 kopieën per ml, zonder voorafgaand virologisch falen en geen majeure resistentiemutaties tegen NRTI of INSTI. Ze werden willekeurig geswitcht naar DTG plus 3TC, of er werd doorgegaan met TBR gedurende bijna 3 jaar (148 weken). Het bijwerkingenprofiel van dit combinatiepreparaat was in overeenstemming met de respectieve labels van DTG en 3TC.

Gezien deze uitkomsten biedt DTG plus 3TC 2DR een nieuwe robuuste optie bij het switchen, waarbij sprake is van minder blootstelling aan ART, maar zonder een verhoogd risico op virologisch falen of resistentie. Het onderzoek loopt nog. (# WEAB0403LB)

Aanhoudende werkzaamheid bij niet eerder behandelde hiv-1

In een gepoolde analyse van de GEMINI-trials bleek na een behandelduur van 96 weken dolutegravir (DTG) plus lamivudine (3TC) niet-inferieur aan DTG, tenofovir disoproxil fumaraat (TDF) plus emtricitabine (FTC) bij volwassenen met een hiv-1-infectie die in het verleden geen ART hadden gekregen. Dit wijst op een aanhoudende werkzaamheid van DTG plus 3TC bij deze patiëntencategorie. In vergelijking met drie medicijnenregimes kan met twee medicijnen regimes (2DR) de cumulatieve blootstelling aan medicatie gereduceerd worden bij de levenslange behandeling van hiv-1-geïnfecteerde patiënten. In GEMINI-1 en GEMINI-2 bleek in week 48 de werkzaamheid van een 2DR met DTG plus 3TC niet inferieur aan DTG, tenofovir (TDF) plus FTC bij niet eerder behandelde volwassenen.

In de dubbelblinde, multicenter fase III GEMINI-1- en 2-trials kregen respectievelijk 714 en 719 patiënten met een hiv-1 RNA-titer van ≤ 500.000 kopieën per ml willekeurig eenmaal daagse DTG plus 3TC of DTG, TDF plus FTC. Bij aanvang had 20% een hiv-1 RNA-titer van > 100.000 kopieën per ml en 8% had een CD4-aantal van < 200 cellen per mm3. In week 96 was DTG plus 3TC niet inferieur aan DTG, TDF plus FTC in een gepoolde analyse van beide studies. De responspercentages bij deelnemers met een baseline hiv-1 RNA-titer van > 100.000 kopieën per ml waren hoog en vergelijkbaar tussen de groepen. In overeenstemming met de resultaten in week 48 bleef de respons lager in de DTG plus 3TC-groep met een CD4-aantal van < 200 cellen per mm3.

De resultaten tonen de aanhoudende werkzaamheid en potentie van DTG plus 3TC en vormen een verdere ondersteuning als een aantrekkelijke optie voor de behandeling van hiv-1. (# WEAB0404LB)

Drie musketiers hebben vergelijkbare prestaties

Een recente analyse van de gerandomiseerde fase III ADVANCE-studie toonde dat tenofovir alafenamide (TAF), emtricitabine (FTC) plus dolutegravir (DTG) en tenofovir disoproxil fumaraat (TDF), FTC plus DTG een niet-inferieure werkzaamheid hebben in vergelijking met TDF, FTC plus efavirenz (EFV) als eerstelijnsbehandeling van hiv-1-infectie. In lage- en middeninkomenslanden gebruiken de meeste niet eerder behandelde hiv-geïnfecteerde mensen TDF plus FTC of lamivudine (3TC) en EFV. DTG en tenofovir alafenamide fumaraat (TAF) worden aanbevolen in internationale richtlijnen, maar er is weinig ervaring met deze antiretrovirale medicijnen in sub-Sahara Afrika. In Zuid-Afrika heeft meer dan 10% van de patiënten resistentie tegen NNRTI’s overgedragen.

In de 96 weken durende, open label gerandomiseerde ADVANCE-studie uit Zuid-Afrika zijn bovengenoemde 3 regimes vergeleken bij 1.053 hiv-geïnfecteerde mensen. Het primaire eindpunt voor therapiefalen was een hiv-1 RNA-titer van > 50 kopieën per ml, stopzetting of ontbrekende gegevens in week 48. In week 48 was een hiv-1 RNA-titer van < 50 kopieën per ml aanwezig bij 83,8% in de TAF/FTC/DTG-groep, bij 84,9% in de TDF/FTC/DTG-groep en bij 78,6% in de TDF/FTC/EFV-groep. In de on-treatment analyse was in week 48 bij respectievelijk 96, 94 en 95% in deze 3 groepen de hiv-1 RNA-titer van < 50 kopieën per ml.

Ondanks NRTI/NNRTI-resistentie op groepsniveau trad in alle drie de groepen weinig virologisch falen op. Er waren meer stopzettingen wegens bijwerkingen in de TDF/FTC/EFV-groep. (# WEAB0405LB)

Intermitterende behandeling net zo effectief als dagelijkse tripletherapie

Een intermitterende behandeling kan het gebruiksgemak, de verdraagbaarheid en de kosten van ART verbeteren. Een onderhoudsbehandeling met ART van 4 dagen per week (4/7 dagen) resulteert in een succespercentage van 96%, zo is eerder gevonden in de ANRS 162 4D-pilotstudie. De open label, gerandomiseerde, niet-inferioriteit fase III ANRS 170 QUATUOR-studie toont dat een dergelijke intermitterende onderhoudsstrategie non-inferieur is aan dagelijkse tripletherapie. De huidige studie was opgezet om de niet-inferioriteit van deze strategie aan te tonen in vergelijking met 7/7 dagen bij patiënten die een gecontroleerde viral load (VL) hadden onder tripletherapie met ofwel een op een proteaseremmer, NNRTI of integrase strand transfer inhibitor (InSTI) gebaseerd regime.

636 volwassenen die gedurende > 12 maanden een plasma VL van < 50 kopieën per ml en geen resistentiemutaties tegen de tripletherapie hadden, gingen willekeurig door met de huidige tripletherapie of kregen een onderhoudsbehandeling van 4 dagen per week (4/7 dagen). Het primaire eindpunt was het behandelsucces, gedefinieerd als een VL < 50 kopieën per ml zonder een wijziging van de behandelstrategie. In week 48 was dit succespercentage 95,6% in de groep met het intermitterende regime vs. 97,2% met de gecontinueerde tripletherapie. Daarmee was niet-inferioriteit aangetoond. 6 (1,9%) en 4 (1,3%) deelnemers ondervonden virologisch falen met selectie van resistentiemutaties bij respectievelijk 3 patiënten en 1 patiënt.

Er was geen verschil in bijwerkingen tussen de 2 groepen. Een matige verbetering van de nierfunctie werd waargenomen in de groep met intermitterende vs. tripletherapie (eGFR-toename van respectievelijk 5,5 vs. 1,3 ml/min; p < 0,001). (# WEAB0406LB)



Aandachtsgebied:

HIV

U heeft nog enkele gratis artikelen binnen infectieziekten. Maak uw account aan om ongelimiteerd te lezen.