Geen verband Q-koorts en non-hodgkinlymfoom

Het is niet aannemelijk dat besmetting met de bacterie Coxiella burnetii, de verwekker van Q-koorts, de kans op het ontwikkelen van non-hodgkinlymfoom vergroot. Dat blijkt uit onderzoek van het UMC Utrecht dat onlangs is gepubliceerd in the Lancet Haematology.1

De afgelopen jaren is regelmatig gesuggereerd dat er associatie zou zijn tussen Coxiella burnetii en non-hodgkinlymfoom. Als dat het geval zou zijn, hypotheseerden de Utrechtse onderzoekers, dan zou tijdens en na de grote Q-koortsepidemie in Nederland (van 2007 tot 2010) de incidentie van non-hodgkinlymfoom aanzienlijk hoger moeten zijn in gebieden met een hoge endemiciteit van Q-koorts in vergelijking met die met een lage endemiciteit.

Promovendus Sonja van Roeden en collega’s deden een retrospectieve populatiegebaseerde analyse en berekenden relatieve risico’s (RR’s) van non-hodgkinlymfoom vóór, tijdens en na de Q-koortsepidemie in gebieden met intermediaire en hoge endemiciteit van Q-koorts en vergeleken deze met lage endemische gebieden. Ook berekenden ze de RR van non-hodgkinlymfoom bij mensen met chronische Q-koorts in vergelijking met de algemene bevolking.

Tussen 1 januari 2002 en 31 december 2013 werden in Nederland 48.760 gevallen van non-hodgkinlymfoom gediagnosticeerd. De incidentie van non-hodgkinlymfoom varieerde van 21,4 per 100.000 per jaar in 2002 tot 26,7 per 100.000 per jaar in 2010. Er werd één statistisch significante associatie met non-hodgkinlymfoom gevonden in 2009 voor gebieden met een hoge endemiciteit van Q-koorts vergeleken met laag-endemische gebieden (RR 1,16; 95%-BI 1,02-1,33; p = 0,029). Dit is echter een dusdanig kleine verhoging van het risico en waarschijnlijk ruis, aldus de auteurs.

Van de 439 mensen met chronische Q-koorts ontwikkelden er vijf non-hodgkinlymfoom, wat neerkomt op een absoluut risico van 301 gevallen per 100.000 per jaar (RR 4,99, 95%-BI 2,07-11,98; p = 0,0003) vergeleken met de algemene bevolking in Nederland. Volgens de auteurs kan dit komen doordat patiënten met chronische Q-koorts regelmatig uitgebreide medische onderzoeken ondergaan waardoor (indolente) non-hodgkinlymfomen veel eerder worden opgemerkt.

Toelichting dr. S. van Roeden, arts-onderzoeker Interne Geneeskunde
Een Q-koortspatiënt met een lymfoom was voor onderzoekers uit Marseille de aanleiding om te kijken naar een eventueel verband tussen beide ziektebeelden. Zij screenden tussen 2004 en 2014 1.468 patiënten met Q-koorts. Zeven van hen (0,48%) ontwikkelden een B-cellymfoom (6 diffuus grootcellig B-cellymfoom en 1 folliculair lymfoom). Het risico op een B-cellymfoom of folliculair lymfoom was hiermee respectievelijk ruim 25 keer en bijna 7 keer zo hoog als bij de algemene bevolking.2

Populatieanalyse
“Aangezien we in Nederland een grote groep Q-koortspatiënten hebben, volgens schattingen 40.000,3 en er in onze ogen nogal wat haken en ogen aan de Franse studie zitten, wilden wij zelf nagaan of er een verband is tussen Coxiella burnetii en non-hodgkinlymfoom”, vertelt Sonja van Roeden, eerste auteur van de publicatie in the Lancet Haematology. “In Nederland hebben we een prachtig cohort met gegevens van 450 patiënten met chronische Q-koorts. We wilden niet alleen nagaan wat hun risico op non-hodgkinlymfoom is, maar ook de vraagstelling breder trekken middels een populatieanalyse. Is het risico op non-hodgkinlymfoom groter in gebieden waar meer acute Q-koorts voorkomt dan in gebieden waar weinig acute Q-koorts voorkomt?”

Interpretatie
Het RIVM verzamelt per 4-cijferig postcodegebied gegevens over Q-koorts, via het IKNL konden gegevens over non-hodgkinlymfoom worden verkregen. Deze anonieme data werden door de Utrechtse onderzoekers naast elkaar gelegd. “Het relatieve risico op non-hodgkinlymfoom onder patiënten met chronische Q-koorts bleek 5 te zijn. Op het eerste gezicht lijkt dit een behoorlijk verhoogd risico. Toch is het riskant dit op die manier te interpreteren. Van deze patiënten wordt namelijk iedere drie maanden het bloed uitgebreid onderzocht. Op die manier worden – zeker indolente – B-cellymfomen veel sneller opgemerkt”, licht Van Roeden de uitkomsten toe. De patiënten met acute Q-koorts hadden volgens de berekeningen een 1,16 keer zo hoog risico op non-hodgkinlymfoom. “We denken niet dat het risico daadwerkelijk verhoogd is”, aldus Van Roeden.

Groot genoeg
Ook aan het onderzoek van Van Roeden en haar collega’s zitten beperkingen. Dat beseft ze zelf heel goed, en hierover is ook een commentaar gepubliceerd in hetzelfde nummer van het tijdschrift.4 “De auteurs van de editorial stellen dat er een nog grotere epidemiologische studie nodig is om de potentiële rol van Q-koorts uit te sluiten. Naar mijn mening gaat het echter op epidemiologisch gebied niet beter worden dan onze studie. In Nederland hebben we de meeste Q-koortspatiënten ter wereld en nergens is een dergelijke grote groep mensen onderzocht.”

Veel onrust
Om meer duidelijkheid te krijgen over een mogelijke relatie tussen Coxiella Burnetii en non-hodgkinlymfoom zou een dierexperimenteel onderzoek een mogelijkheid zijn, waarbij proefdieren met de bacterie worden geïnfecteerd. Ook pathofysiologisch onderzoek naar de impact van Coxiella Burnetii op monocyten en macrofagen is een optie.

Van Roeden en haar collega’s lopen nog met het idee rond om na te gaan hoe de bacterie op microniveau de transcriptie van eiwitten beïnvloedt, door middel van een microarray op witte bloedcellen. “Leidt de bacterie tot productie van oncogene eiwitten die geassocieerd zijn met non-hodgkinlymfoom? Vooralsnog gaan wij er echter vanuit dat er geen verband is. Berichten over een verhoogd risico op non-hodgkinlymfoom hebben veel onrust geschept bij Q-koortspatiënten, dat is dus niet nodig.”


Geef een reactie

  • Bronverwijzing
    1. Van Roeden SE, van Houwelingen F, Donkers CMJ, et al. Exposure to Coxiella burnetii and risk of non-Hodgkin lymphoma: a retrospective population-based analysis in the Netherlands. Lancet Haematol. 2018;5:e211-e219.
    2. Melenotte C, Million M, Audoly G, et al. B-cell non-Hodgkin lymphoma linked to Coxiella
    3. Kampschreur LM, Hagenaars JC, Wielders CC, et al. Screening for Coxiella burnetii seroprevalence in chronic Q fever high-risk groups reveals the magnitude of the Dutch Q fever outbreak. Epidemiol Infect. 2013;141:847-51.
    4. David KA, Kritharis A, Evens AM. Does Q fever contribute to pathogenesis of non-Hodgkin lymphoma? Lancet Haematol. 2018;5:e186-e187.

Aandachtsgebied:

Lymfoom

Onderwerp:

Coxiella burnetii NHL Q-koorts

Tweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on FacebookEmail this to someonePrint this page

Lees ook..


Er zijn nog X gratis artikelen beschikbaar in Y

U heeft nog 3 gratis artikelen binnen hematologie