Advertentie

Protonpompremmers verhogen langetermijnrisico op pneumonie bij ouderen

Bij ouderen in de eerste lijn is langdurig gebruik van protonpompremmers (PPI’s) geassocieerd met een verhoogd risico op pneumonie. Zo blijkt uit een groot Engels cohortonderzoek waarvan de resultaten zijn gepubliceerd in The Journal of the American Geriatrics Society.

Omdat maagzuur een rol speelt in de respons op bacteriële infecties zou een verlaagde zuursecretie door het gebruik van PPI’s kunnen leiden tot een toegenomen risico op bacteriële micro-aspiratie en pulmonale kolonisatie. Verschillende studies, waaronder meta-analyses, hebben dan ook een verhoogd risico op pneumonie laten zien vlak na het starten van een PPI. Dit effect lijkt echter te verdwijnen wanneer wordt gecorrigeerd voor verschillen in de incidentie van pneumonie in de periode vlak voor de start van de behandeling. Er zijn echter geen gegevens over de risico’s op langere termijn.

Het doel van deze longitudinale analyse van elektronische dossiers was om de associatie tussen langdurig gebruik van PPI’s en de incidentie van pneumonie bij oudere volwassenen in de eerste lijn te onderzoeken. Bij ruim 75.000 personen ≥ 60 jaar die gedurende 1 jaar of langer PPI’s kregen in de eerste lijn en evenveel op leeftijd en geslacht gematchte controles werd de netto hazard ratio (HR) voor pneumonie-incidentie in jaar 2 van de behandeling geschat met behulp van de ‘prior event rate ratio’ (PERR), waarbij de post-PPI HR werd gecorrigeerd voor verschillen in de incidentie van pneumonie voorafgaand aan de behandeling.

Pneumonierisico
In de PPI-groep was de niet-gecorrigeerde pneumonie-incidentie < 6 per 1.000 persoonsjaren tussen maand 24 en 6 voorafgaand aan de behandeling. De incidentie steeg echter sterk in de laatste 6 maanden voor behandeling (piek: 22 per 1.000 persoonsjaren). In de periode na PPI-behandeling daalde de incidentie naar een stabiel cijfer van zo’n 8 per 1.000 persoonsjaren in het eerste jaar om daarna weer toe te nemen in het tweede jaar van behandeling. Bij controles was de pneumonie-incidentie lager (< 4/1.000 persoonsjaren) en stabieler over de gehele periode.

In maand 24 tot 13 voor het voorschrijven van een PPI kwam pneumonie vaker voor in de PPI-groep dan bij controles (HR 1,67; 95% BI 1,37-2,02), maar in het tweede jaar post-PPI was dit extra pneumonierisico substantieel groter in de PPI-groep (HR 3,03; 95% BI 2,6-3,53). De schatting van een netto langetermijnassociatie op basis van de PERR-calculatie was significant (HR 1,82; 95% BI 1,27-2,54), wat suggereert dat er een substantieel verhoogd langetermijnrisico op pneumonie bestaat in de PPI-groep. De schatting van het ‘number needed to harm’ was 420 (95% BI 113-1.996). De resultaten waren vergelijkbaar in vooraf gespecificeerde subgroepen voor leeftijd en comorbiditeit. Ook werden verschillende alternatieve analysemethoden gebruikt om de robuustheid van de bevindingen te testen. Met ‘propensity score’ en ‘inverse probability-weighted’ modellen waarin werd gecorrigeerd voor 78 potentiële confounders werden vergelijkbare resultaten gezien.


  • Bronverwijzing
    1. Zirk-Sadowski J, Masoli JA, Delgado J, et al. Proton-Pump Inhibitors and Long-Term Risk of Community-Acquired Pneumonia in Older Adults. J Am Geriatr Soc. 2018;66:1332-8.
Advertentie

U heeft nog enkele gratis artikelen binnen gastro-enterologie. Maak uw account aan om ongelimiteerd te lezen.