Intensieve cognitieve gedragstherapie niet nodig bij jongeren met IBD en milde stemmingsklachten

Er bestaat een relatie tussen darmklachten bij inflammatoire darmziekten (IBD: ziekte van Crohn en colitis ulcerosa) en klachten van angst en depressiviteit. Onderzoekers van de afdeling kinder-maag-darm-leverziekten en de afdeling kinderpsychologie van het Erasmus MC-Sophia in Rotterdam coördineerden de studie HAPPY-IBD in zes centra, naar het effect van cognitieve gedragstherapie bij adolescenten en jongvolwassenen met IBD op het beloop van angst/depressieve symptomen en op het ziektebeloop. De besproken publicatie beschrijft de psychologische korte termijn resultaten: bij alle deelnemers trad verbetering op van angst- en depressieklachten en kwaliteit van leven. Er was geen significant verschil tussen de groep met standaard zorg en de groep met aanvullend cognitieve gedragstherapie.

HAPPY-IBD (ClinicalTrials.gov nummer NCT02265588) is een gerandomiseerde studie in 6 centra in Zuidwest-Nederland. In totaal deden 70 jonge IBD-patiënten (10-25 jaar) mee die subklinische symptomen hadden van angst en/of depressie. Zij werden geïncludeerd op moment van rustige ziekte en verdeeld in 2 groepen. De ene groep (n = 37) kreeg standaard zorg plus ziektespecifieke cognitieve gedragstherapie (Primary and Secondary Control Enhancement Training for Physical Illness; PASCET-PI). Deze therapie bestond uit 10 wekelijkse sessies, 3 sessies met de ouders (van de jongere patiënten) en voor iedereen 3 ‘booster’-sessies. De andere groep (n = 33) kreeg alleen standaard zorg. De primaire analyse betrof de verandering in angst- en depressieklachten na 3 maanden. Andere analyses gingen over het verloop van angst- en depressieklachten en de kwaliteit van leven bij verschillende leeftijdsgroepen en de invloed van leeftijd, geslacht en type ziekte (ziekte van Crohn of colitis ulcerosa) op het effect van de cognitieve gedragstherapie.

Conclusie

Bij alle studiedeelnemers werd significante verbetering gezien wat betreft angst- en depressiesymptomen en kwaliteit van leven, ongeacht de behandelarm, leeftijd, geslacht of type ziekte. De onderzoekers concluderen dat bij deze groep jonge en jongvolwassenen IBD-patiënten de toevoeging van cognitieve gedragstherapie aan standaard zorg geen betere uitkomsten geeft wat betreft psychologische symptomen en kwaliteit van leven dan alleen standaard zorg. De (extra) aandacht die meedoen aan psychologisch onderzoek geeft (invullen van vragenlijsten, psychologische interviews), zou dit kunnen verklaren: ook in de controlegroep kan deelname een ondersteunend effect hebben gehad. Echter vanwege de beperkte grootte van de studiegroep zijn de onderzoekers terughoudend met harde conclusies. Er is meer onderzoek nodig om te bepalen welke groep IBD-patiënten het meest baat heeft bij psychologische behandeling en welke intensiteit deze behandeling zou moeten hebben.1

Commentaar Gertrude van den Brink, arts-onderzoeker kinder-MDL, Erasmus MC-Sophia, Rotterdam

“Het is bekend dat bij IBD-patiënten vaak angst en depressie voorkomt. Via de zogeheten ‘hersen-darm-as’ is er op verschillende niveaus interactie tussen de hersenen en de darmen, bijvoorbeeld via het immuunsysteem, zenuwstelsel en endocriene systemen. De prevalentie van stemmingsklachten bij kinderen en volwassenen met IBD is naar schatting minstens 20-30%. Ook uit recent eigen onderzoek2 concluderen we dat ziekteactiviteit bij IBD een belangrijke risicofactor is voor angst en depressie. Dat hebben we onderzocht bij 375 jonge en jongvolwassen patiënten in Zuidwest-Nederland. De eerste bevinding van HAPPY-IBD was dus dat angst- en depressieklachten ook bij Nederlandse IBD-patiënten vaak voorkomen. In de huidige publicatie beschrijven we het kortetermijneffect van psychotherapie op milde angst- en depressieklachten. We hebben ook gekeken naar het effect op het ziektebeloop, via scores voor ziekteactiviteit, het ontstekingseiwit CRP in het bloed en calprotectine in de ontlasting. De resultaten voor de medische en psychologische uitkomsten op langere termijn worden binnenkort gepubliceerd.

Klachten namen af

De cognitieve gedragstherapie bestond uit voorlichting over de relatie tussen IBD en de hersen-darm-as en het begrijpen en beïnvloeden van stemming, gedachten en gedrag. Na 3, 6 en 12 maanden zijn gegevens verzameld met vragenlijsten en een interview, en ook medische gegevens over ziekteactiviteit. Op korte en langere termijn namen in zowel de therapiegroep als de controlegroep de klachten van angst en depressie af, met wel de kanttekening dat dit patiënten waren met milde stemmingsklachten en met weinig tot geen darmklachten op dat moment. De verbetering in de controlegroep kan verklaard worden door de aandacht die het meedoen aan psychologisch onderzoek geeft. Dit zou kunnen betekenen dat bij patiënten met milde angst- en/of depressieve klachten geen dure of uitgebreide psychologische therapie nodig is. Ook op de medische uitkomstmaten vonden we geen verschillen tussen beide groepen. Gezien de psychologische resultaten en de groepskenmerken (rustige ziekte, milde psychologische klachten) vonden we dat niet verrassend: bij deze categorie patiënten valt geen grote verbetering van de darmontsteking te verwachten. We vonden wel verschillen tussen beide groepen op het niveau van cytokinen in het bloed. Deze data worden momenteel geanalyseerd.

We zijn er wel van geschrokken dat angst- en depressieklachten zo vaak voorkomen, terwijl ze waarschijnlijk niet altijd zichtbaar zijn in de spreekkamer. In de nieuwe richtlijn voor kinderen met IBD die binnenkort verschijnt, adviseren we om alert te zijn op signalen van deze klachten en patiënten hierover actief te bevragen en minstens een keer per jaar te screenen. De beste manier om dat te doen, moet nog blijken: helaas is voor de jonge patiëntengroep geen kort instrument beschikbaar. Daarnaast zal in sommige ziekenhuizen de zorg anders georganiseerd moeten worden, zodat een psycholoog beschikbaar is als uit de screening blijkt dat vervolgonderzoek of begeleiding nodig is.”


  • Bronverwijzing
    1. Stapersma L, van den Brink G, van der Ende J, et al. Effectiveness of Disease-Specific Cognitive Behavioral Therapy on Anxiety, Depression, and Quality of Life in Youth With Inflammatory Bowel Disease: A Randomized Controlled Trial. J Pediatr Psychol. 2018;43;967-80.
    2. Van den Brink G, Stapersma L, Vlug LE, et al. Clinical disease activity is associated with anxiety and depressive symptoms in adolescents and young adults with inflammatory bowel disease. Aliment Pharmacol Ther. 2018;48;358-69.

U heeft nog enkele gratis artikelen binnen gastro-enterologie. Maak uw account aan om ongelimiteerd te lezen.