ECCO IBD 2017 – Wat is momenteel ‘hip & happening’ in IBD-land?

De ECCO die afgelopen februari plaatsvond kan wederom terugkijken op een geslaagd congres in het sfeervolle Barcelona. Het was het 12e ECCO-congres alweer.

De endoscopie- en ultrasound workshops waren weer vroeg uitverkocht en zijn een zeer gewaardeerde extra bijeenkomst voordat het ‘echte’ congres begint. Hoewel de ECCO amper parallelsessies kent, had het programma dit jaar wel op de tweede dag in de middag een tweesplitsing waarbij een sessie meer gefocust was op de clinicus en de andere meer op de basale wetenschap. De plenaire sessies werden per thema ingeleid met een overzichtspraatje van een van de experts waarna er orals waren van de nieuwste ontwikkelingen in IBD-land. Dit jaar was er een record behaald: er waren maar liefst 1.203 wetenschappelijke samenvattingen ingestuurd. Hiervan zijn 922 geaccepteerd, waarvan de beste 38 waren uitgekozen als orals tijdens de plenaire sessies en 90 als digital oral presentations. Daarnaast waren er 794 posters.
De verdiepende lezing van Charlie Lees gaf de aftrap van het congres. Het wordt steeds duidelijker dat voeding een impact heeft op IBD. Met name een westers dieet, wat hoog in verzadigde vetten en vlees is, werkt pro-inflammatoir.

Een dieet met een hoog fruit-, vezelen omega-3-gehalte, werkt beschermend. Stephan Vravrika ging meer in op de impact van roken bij IBD, en dan met name bij Crohn. Hij liet niet alleen zien dat rokende patiënten met Crohn vaker complicaties hadden, meer opvlammingen, meer prednison-gebruik en een grotere kans om geopereerd te worden. Maar hij liet ook zien dat roken de intestinale microbiota verandert. Bij rokers die stopten zag men een duidelijke stijging van Firmicutes en Actinobacteria, en een daling van proteobacteria en Bacteroidetes.

Kirchgesner et al. toonden aan dat er een verhoogd risico was op acute arteriële gebeurtenissen (zoals myocardinfarct, CVA, of perifere ischemie) onder jonge patiënten < 35 jaar. Crohnpatiënten hadden meer risico (Standardized incidence ratio (SIR), 1,35; 95%-BI, 1,30-1,41, p < 0,001) dan patiënten met colitis ulcerosa (SIR, 1,10; 95%-BI, 1,06-1,13, p < 0,001).

Ook ziekteactiviteit lijkt invloed te hebben op een verhoogd risico. Met name de drie maanden voor en na een IBD-gerelateerde ziekenhuisopname was geassocieerd met een verhoogd risico op acute arteriële gebeurtenissen (HR 1,77; 95%-BI, 1,47-2,12 en 1,87; 95%-BI, 1,58-2,22). Oded Zmora pleitte ervoor dat een IRA in sommige gevallen een optie moet blijven bij patiënten met colitis ulcerosa, met name indien patiënten maar een milde inflammatie hebben, een goede respons op 5-ASA, geen dysplasie of maligniteit van het rectum, geen PSC, geen positieve familie-anamnese en als ze open staan voor jaarlijkse surveillance.

LIR!C-trial

De data van de LIR!C-trial werden eindelijk gepresenteerd. Hierbij bleek dat een ileocoecaal resectie in het algemeen goedkoper en effectiever is vergeleken met infliximab bij patiënten met Crohn met alleen een ileocoecaal ontsteking en een noodzaak tot step-up na behandeling met thiopurines. Ook bleek een ileocoecaal resectie even effectief als je keek naar verbetering op QOL, maar er was geen significant verschil op de IBDQ als beide groepen werden vergeleken. Slechts 4% van de patiënten die een ileocoecaal resectie hadden ondergaan in plaats van infliximab, hadden alsnog binnen één jaar infliximab nodig. Er is niet gekeken naar data op de langere termijn. Wanneer de vergelijking gedaan wordt met

ileocoecaal resectie versus biosimilar is er geen significant verschil meer in kosteneffectiviteit.

Telemedicine

Natuurlijk is telemedicine ook helemaal hot and happening. De Jong presenteerde data van de MijnIBDcoach waarbij patiënten via een e-healthprogramma gemonitord werden, informatie konden krijgen en met hun IBDverpleegkundige of arts konden communiceren. Vergeleken met standaard zorg waren er significant minder policontacten (p < 0,001).

Ook werden er bij de MijnIBDcoach-groep minder ziekenhuisopnames gezien (p < 0,001). Er was geen verschil tussen beide groepen wat betreft aantal flares, prednison-gebruik, SEH-bezoeken of spoedoperaties. Patiënten in de MijnIBDcoach-groep leken ook meer therapietrouw te zijn (p < 0,001). De MijnIBDcoach kan een goede aanvulling zijn op hoe wij zorg voor onze IBD-patiënten inrichten en heeft daarnaast als voordeel dat het een automatische registratie geeft van PROMS/PREMS en kwaliteitskenmerken, waardoor er meer value based health care kan plaatsvinden.

En wat betreft al onze IBD-medicatie?

Fiorino presenteerde de resultaten van het PROSIT-cohort in Italië waarbij 680 patiënten behandeld waren met een biosimilar (CT-P13). Dit is een van de grootste cohorten waarvan resultaten bekend zijn van patiënten die met een biosimilar zijn behandeld. Er werden geen significante risico’s gevonden met betrekking tot veiligheid. Wel werden er meer infusiereacties gezien bij patiënten die al eerder met een anti-TNF behandeld waren (p < 0,02).

In een middagsessie zijn wij weer bijgepraat door experts in het veld over hoe wij het beste kunnen omgaan met zwangeren. Prof. Van der Woude liet zien dat anti-TNF veilig is gedurende de zwangerschap en dat het stoppen van infliximab in week 22-24 bij een aanhoudende respons geen verhoogd risico geeft op een flare. Anti-TNF langer doorgeven in de zwangerschap kan, maar dan is het wel gerelateerd aan een adverse outcome bij kinderen die levende vaccins krijgen. Deze vaccins dienen daarom te worden uitgesteld. Aanvullend hierop vertelde Kanis dat optimale stopweken verschillend zijn voor infliximab en adalimumab bij een aanhoudende respons. Dit is week 22 bij infliximab vs. week 33 bij adalimumab. Ten aanzien van het gebruik van vedolizumab tijdens de zwangerschap gaf Van der Woude aan dat er nog geen gegevens bekend zijn over de invloed op fertiliteit en wat de risico’s zijn op congenitale malformaties of infectierisico’s bij het kind als het geboren is.

Patiënten met een zwangerschapswens die nog geen biologicals krijgen maar wel nodig hebben, worden in het Erasmus MC in principe niet behandeld met vedolizumab. Patiënten met een zwangerschapswens die al vedolizumab krijgen zonder goede medicamenteuze alternatieven, worden gecounseld waarna een gezamenlijke keuze wordt gemaakt. Indien vedolizumab in de zwangerschap gegeven wordt dan wordt dit in het Erasmus MC in week 22 gestaakt bij een aanhoudende remissie.

We kunnen terugkijken op een divers, inspirerend en leerzaam congres.

Mw. N. Peek, aios MDL LUMC



Aandachtsgebied:

IBD

U heeft nog enkele gratis artikelen binnen gastro-enterologie. Maak uw account aan om ongelimiteerd te lezen.