Bètablokkers ter preventie van decompensatie van cirrose bij patiënten met portale hypertensie

Langdurige behandeling met bètablokkers kan mogelijk de decompensatievrije overleving bij patiënten met gecompenseerde cirrose en klinisch significante portale hypertensie (CSPH) verlengen, met name door het reduceren van de incidentie van ascites. Dat blijkt uit de PREDESCI-studie, waarvan de resultaten onlangs zijn gepubliceerd in The Lancet.

Klinische decompensatie van cirrose is geassocieerd met een slechte prognose. CSPH, gedefinieerd als een ‘hepatic venous pressure gradient’ (HVPG) ≥ 10 mm Hg, is de sterkste voorspeller van decompensatie. Het doel van de PREDESCI-studie (NCT01059396) was te onderzoeken of het verlagen van de HVPG met bètablokkers het risico op decompensatie of overlijden bij patiënten met gecompenseerde cirrose en CSPH zou kunnen verlagen. Deze ‘investigator-initiated’, dubbelblinde, gerandomiseerde gecontroleerde trial werd uitgevoerd in 8 ziekenhuizen in Spanje bij patiënten zonder hoogrisicovarices. Bij alle deelnemers werd de acute HVPG-respons op intraveneus propranolol gemeten. Responders (HVPG-afname ≥ 10%) werden 1:1 gerandomiseerd naar propranolol (tot 160 mg tweemaal daags) of placebo en non-responders naar carvedilol (≤ 25 mg/dag) of placebo. De dosering werd individueel vastgesteld tijdens een open-label titratieperiode voorafgaand aan randomisatie. Het primaire eindpunt was de incidentie van decompensatie (gedefinieerd als de ontwikkeling van ascites, een bloeding of symptomatische encefalopathie) of overlijden. Aangezien overlijden bij gecompenseerde cirrose meestal niet gerelateerd is aan de lever, werd een ‘intention to treat’-analyse uitgevoerd waarbij ‘deaths unrelated to the liver’ als ‘competing events’ werden beschouwd.

Minder ascites

Tussen 18 januari 2010 en 31 juli 2013 werden 631 patiënten beoordeeld waarvan er 201 werden gerandomiseerd. 101 patiënten kregen placebo en 100 patiënten een actieve behandeling (67 propranolol en 33 carvedilol). De mediane follow-upduur was 37 maanden (IQR 27-47). Het primaire eindpunt werd bereikt door 16 (16%) van de 100 patiënten die een bètablokker kregen vs. 27 (27%) van de 101 patiënten in de placebogroep (hazard ratio (HR) 0,51; 95%-BI 0,26 – 0,97; p = 0,041). Het verschil werd grotendeels veroorzaakt door een significant afgenomen incidentie van ascites (20% in de placebogroep en 9% in de bètablokkergroep; HR 0,42; 95%-BI 0,19 – 0,92; p = 0,0297). Het effect van behandeling met een bètablokker werd waargenomen in alle vooraf gespecificeerde subgroepen en was het meest uitgesproken bij patiënten met kleine varices en bij patiënten met niet-alcoholische cirrose. De totale incidentie van bijwerkingen was vergelijkbaar tussen de groepen; 6 patiënten (4 in de bètablokkergroep) hadden ernstige bijwerkingen, geen daarvan was fataal.

Deze bevindingen suggereren dat patiënten met gecompenseerde cirrose zouden moeten worden gescreend op CSPH en dat behandeling met een bètablokker zou moeten worden gestart wanneer CSPH wordt gedetecteerd.


  • Bronverwijzing
    1. Villanueva C, Albillos A, Genescà J, et al. β blockers to prevent decompensation of cirrhosis in patients with clinically significant portal hypertension (PREDESCI): a randomised, double-blind, placebo-controlled, multicentre trial. Lancet. 2019 Mar 22. pii: S0140-6736(18)31875-0. [Epub ahead of print]

U heeft nog enkele gratis artikelen binnen gastro-enterologie. Maak uw account aan om ongelimiteerd te lezen.